“De natuur is onze levensverzekering”

Vierentwintig graden Celsius in Delft, al maanden. In de hortus botanicus van de TU bewondert hoogleraar Andy van den Dobbelsteen een dadelpalm en buigt Heijmans-directeur Harwil de Jonge zich over een ananasplant. Een gesprek over de waarde van natuur voor de bouw.  

Het bovenste knoopje mag los, want de temperatuur lijkt verder te stijgen. In ieder geval in deze tropische kas op de hortus botanicus, naast de Technische Universiteit van Delft. In deze collectie planten, bomen en struiken in kassen en tuinen komt Andy van den Dobbelsteen graag. Voor stilte, rust en groen. Hij is hoogleraar Klimaatontwerp & Duurzaamheid.

Al vanaf de jaren negentig is hij kartrekker in zijn vakgebied. Onvermoeibaar, internationaal vermaard. Harwil de Jonge van Heijmans is een geestverwant van hem. Een vastgoeddirecteur die verder kijkt dan de klassieke ruimtelijke formule l x b x h. Al jaren geleden voegde hij de factor n toe: de n van natuur.

Beiden groeiden op met groen en blauw. Van den Dobbelsteen in het bosrijke Midden-Brabant waar hij in de moestuin van zijn opa en oma al jong lof leerde oogsten. De Jonge in Middelburg, waar zijn vader aannemer was. Enkele kilometers verder wachtten de Walcherse stranden.

Hoogleraar Andy van den Dobbelsteen en vastgoeddirecteur Harwil de Jonge in de hortus botanicus van de TU Delft.

Overstag

Op weg naar de automatenkoffie in het lege faculteitsgebouw vertelt Van den Dobbelsteen over de kanteling in aandacht voor duurzaamheid: “Toen ik bijna dertig jaar geleden met dat thema aan de slag ging, leverde dat vreemde blikken op, ook van collega’s. De waarschuwing van de Club van Rome (wetenschappers die in 1972 het rapport ‘Grenzen aan de groei’ publiceerden) leek iedereen vergeten. Nu zijn studenten zeer geïnteresseerd. Ook collega’s zijn overstag, hun scepsis is verdwenen.”

De Nederlandse bouwsector was wat trager, erkent Harwil de Jonge. “Lange tijd zagen bouwers duurzaamheid als ‘iets erbij’. Dat is gelukkig veranderd. Heijmans ziet de waarde van duurzaam bouwen voor de lange termijn. Dat blijkt ook uit onze vernieuwde strategie, die zich richt op het maken van een gezonde leefomgeving. Daar ben ik erg blij mee.”

Drie doelen

Sinds twee jaar afficheert het bedrijf zich als een van de koplopers in klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen. Met ecologen en tal van deskundigen op het gebied van groen, bodem en water in huis. Goed teken, vindt Van den Dobbelsteen. Maar ook broodnodig, want de opgave is groot: “In de gebouwde omgeving dient natuurinclusief bouwen drie doelen: bijdragen aan een beter stedelijk klimaat, versterking van biodiversiteit en opname van CO2.” Dat valt plezierig samen met de ambitie van Heijmans: in 2023 wil de bouwer dat al haar ingrepen tot significante verbeteringen op de genoemde terreinen leiden.

Van woord naar duurzame daad: Heijmans gaat deelnemen aan CliMAX, een onderzoeksvoorstel van Van den Dobbelsteen naar oplossingen voor complexe duurzaamheidsvraagstukken. Looptijd: vijf jaar. De Jonge: “De zoektocht is breed. Van slimme energiesystemen zoals zonnecollectoren op grote oppervlaktes tot aan groenere infrastructuur met aandacht voor water, lucht- en leefkwaliteit.” Onder de vlag van CliMAX zullen Living Labs tot stand komen in Amsterdam, Den Haag, Delft, Tilburg, Arnhem, Zwolle en Friesland. De Jonge: “Uiteindelijk willen we weten wat ‘werkt’ en wat ‘niet werkt’.” 

Concrete projecten? Van den Dobbelsteen: “In Friesland onderzoeken we de haalbaarheid van aquathermie oftewel warmtewinning uit water. En in Amsterdam, waar kademuren worden vervangen, kijken we of je meteen de waterkwaliteit kan verbeteren. Ook gaan we met energievraagstukken in de portiekflatwijken van Den Haag-Zuid aan de slag.” Voor De Jonge is het vanzelfsprekend dat Heijmans van de partij is. “We zijn maker van gezonde leefomgevingen. Bovendien kunnen wetenschap en bouw veel van elkaar leren.”

Tastbaar

Het verlangen naar tastbare resultaten van duurzaam bouwen is soms lastig. “Opdrachtgevers en eindgebruikers willen duurzaamheid echt zien”, vertelt De Jonge. “Bij de verbreding van de A12 Veenendaal-Ede-Grijsoord heeft Heijmans faunapassages gerealiseerd. Ook passen we duurzaam bermbeheer toe. Dat zie je als gebruiker.”

Dat geldt ook bij integrale gebiedsontwikkelingen. Heijmans informeert eindgebruikers vroegtijdig over het beoogde duurzame karakter. Voor steeds meer mensen is dat een beslisfactor. Lastiger is de zichtbaarheid van duurzame maatregelen in woningen. “Maar het verticale groen (geveltuinen en -begroeiing) rukt op, zoals wij doen bij Amsterdam Vertical. Vooral bij stedelijke verdichting heeft het een grote meerwaarde”, ziet De Jonge.

“Als je mensen vraagt of ze een prettige en gezonde leefomgeving willen, is nooit iemand tegen. Dat maakt de stap naar duurzaam bouwen al gemakkelijker. Dan verandert moeten in willen.”

Biomimicry

“Ook daken van gebouwen krijgen nieuwe functies”, vult zijn tafelgenoot aan. “Lange tijd golden ze als de plek voor installaties die je niet wilde zien. Nu bewijzen ze hun nut voor daktuinen, waterberging, zonnepanelen.” Samen met gevels vormen daken de schil van een gebouw. “Zij vormen de huid, de fysieke grens tussen binnen en buiten. Die kun je slim gebruiken”, vindt Van den Dobbelsteen. Zijn hartstochtelijke pleidooi: maak bij het ontwerpen van gebouwen vaker gebruik van principes uit de biomimicry. Oftewel: imiteer vernuftige systemen en processen uit de natuur. Na 3,8 miljard jaar evolutie laten planten en dieren zien hoe je in uiteenlopende omstandigheden – van droogte en hitte tot vocht en kou – zo goed mogelijk kunt overleven.

Een high five van De Jonge? Ja, zodra het coronavirus de wereld uit is. Hij deelt de wens van de hoogleraar: “Het kost ons steeds meer hoofdbrekens om het leefklimaat in huis aangenaam te houden. We stoppen woningen steeds voller met installaties die voor warmte en koelte moeten zorgen. Dat is niet slim. Feitelijk ben je de ontwerpfouten aan het compenseren.” Dat geldt ook voor kantoren, merkt Van de Dobbelsteen op. “Over de hele wereld zie je in essentie dezelfde ontwerpen. Of je nu in Sao Paulo, Beijing of Oslo bent: de gevels zijn vrijwel identiek, alsof er geen verschillen in klimaat zijn.”

Reset

De generieke en vaak traditionele ontwerpen van de schil leiden tot kostbare installatietechniek en verkwisting van energie. “De handel in airco’s en bijgeplaatste koelers is een goudmijn geworden”, concludeert de hoogleraar. Zinvoller noemt hij lokale architectuur, die rekening houdt met wind, regenval en zonuren. “Klimaatadaptatie verlangt echt een reset in ontwerpen. Grote of kleine ramen? Oostzuidoriëntatie? Zonwerende overstekken zoals in jarendertigbouw? Veel of weinig massa? Dat zijn de vragen. Maar de tirannie van de strakke architectuur verhindert dat ze gesteld worden.”

De Jonge ziet twee andere belemmeringen: “De groei in normen versus de haalbaarheid is een struikelblok. Maar ook de versnippering bij gebiedsontwikkeling. Iedereen werkt op een eilandje. Neem een willekeurig stationsgebied dat je transformeert. Als je dat duurzaam wil doen, raakt het aan alle disciplines – van natuur tot energieopwekking. Dat verlangt regie, die soms zoek is.”

Duivelsvraag

De duivelsvraag: stel dat we niets doen en op de oude voet doorgaan? Van den Dobbelsteen: “Dan zullen de grenzen van biotopen gaan schuiven. Sommige planten en dieren zullen dat niet kunnen volgen. Als de flora en fauna blijven verschralen, zal dat op termijn ook de voedselvoorziening in gevaar brengen. Bestuiving hangt immers sterk samen met biodiversiteit.” 

Een ander gevaar, waar De Jonge op wijst: plagen. Door warme winters kunnen bacteriën, virussen en ongedierte makkelijker overleven. Hete zomers leiden tot meer eikenprocessierupsen en blauwalg. In Zuid-Europa kampen boeren al in toenemende mate met schadelijke insecten als sprinkhanen en maïsboorders. “Maar ook de bouw- en infrasector blijft niet buiten schot. Vorstverlet is haast een antiek woord; windverlet komt steeds vaker voor. Net zoals bodywarmers met koelelementen.”

Handpompje

Voor beide heren is nietsdoen een doodlopende steeg. Veel liever overtuigen ze Nederland – inwoners, opdrachtgevers – van de noodzaak om te handelen. De Jonge met verbazing in zijn stem: “We hebben voor alles een verzekering – van reizen en tandarts tot brand. Behalve voor de natuur, die ons minder waard lijkt.” En dat is een forse vergissing, vindt Van den Dobbelsteen: “Natuur is onze levensverzekering. Hoe langer we wachten om haar te behouden, hoe meer het de samenleving op termijn zal kosten.”

Bij de verlaten receptie van het faculteitsgebouw staat een handpompje met desinfectant. It’s corona time. Maar er komen betere tijden, voorzien de opgewekte gesprekspartners. Moge duurzaamheid besmettelijk zijn.

NOOT: Dit interview is gehouden op 13 maart 2020, vlak voor de maatregelen van kracht gingen om besmetting met het coronavirus tegen te gaan. 

Dit verhaal is gemaakt in opdracht van Heijmans.
Beeld: Martine Krekelaar
Tekst: Eric Alink